Noteer alvast in je agenda: 05/09/10 - Wandeling Haachts Broek, vertrek 14u, parking sporthal Wespelaar  
Home
Oud nieuws  

OPROEP PRIORITAIRE SOORTEN PROJEKT

Monitoring en beheerevaluatie: ook jij kan helpen!

Een erkend natuurreservaat beheren impliceert enige verplichtingen. Eén daarvan situeert zich op gebied van monitoring van de natuurwaarden. De Cel Natuurstudie van Natuurpunt Haacht ontfermt zich hierover. We hebben daar echter onze handen flink mee vol. Daarom staat de Cel Natuurstudie dan ook open voor alle nieuwe medewerkers en voor het ontvangen van hun waarnemingen in concreto! Voel je je aangesproken, neem dan contact met ons op, en trek er mee op uit met de echte natuurfreaks van Natuurpunt Haacht.

Natuurlijk kan je ook op eigen houtje deelnemen via waarnemingen.be Evaluatie van de natuurtypes/natuurstreefbeelden. Voor de monitoring van onze percelen, wordt voorzien om per periode van vijf jaar de evolutie van de natuurtypes na te gaan. Daarbij wordt bekeken in hoeverre de natuurtypes evolueren in de richting van de gewenste natuurstreefbeelden. De evolutie van de natuurtypes wordt op kaart aangeduid en tekstueel beschreven. Dit zal gebeuren aan de hand van het opvolgen van een aantal doelsoorten (indicatorsoorten) voor de vooropgestelde natuurstreefbeelden.

Hoe kan je je waarnemingen melden ? Vorig jaar vond je op onze website het digitaal waarnemingsformulier waarop je de eigen waargenomen soorten kan noteren. Vanaf dit jaar vragen we je echter deel te nemen via www.waarnemingen.be Je input van gegevens blijft dezelfde als vorig jaar. Ook bijkomende gegevens zoals de plaats (Antitankgracht, Haachts Broek, Schorisgat of Schoonbroek) en de datum blijven uiteraard belangrijk te vermelden. Als je de plaats in het gebied kan specificeren des te beter. Dat doe je via het kaartje op de invoerpagina op www.waarnemingen.be.

Brakona heeft aan dit project bovendien een wedstrijd verbonden!

Naar welke fauna en flora zoeken?

1) Zoogdieren

In het kader van dit projekt zijn enkele zoogdieren opgenomen. Zoogdieren waarnemen is specialistenwerk en erg moeilijk. Maar met een Vos bv, weet je maar nooit. De andere zoogdieren zijn de Dwergmuis, Vos en Steenmarter.

Eén van de kleinste zoogdieren is de Dwergmuis. De pels is tweekleurig: aan de bovenkant van het lichaam zijn ze meestal geelbruin tot oranjebruin, aan de onderkant (vuil)wit van kleur. De twee kanten zijn duidelijk van elkaar gescheiden. De oren en de ogen zijn klein en de snuit is stomp. Ze worden 50 tot 80 mm lang, waarbij hun staart ook nog eens 50 tot 70 mm lang kan zijn, bijna net zo lang als de rest van het lichaam. Door zijn grijpstaart te gebruiken, heeft hij zijn pootjes vrij om voedsel te zoeken en om te klauteren in graanhalmen. Enkel met het puntje van de staart kan de dwergmuis iets vastgrijpen. Volwassen dieren wegen vijf tot elf gram.

De Vos: de vossenvacht is over het algemeen roodbruin, maar kan ook beige tot helderrood zijn, of zilverkleurig tot zwart. De oren zijn aan de achterzijde zwart, evenals de "sokken", de onderbenen. Sommige dieren hebben een witte staartpunt; veel vossen hebben in ieder geval enkele witte haren rond het puntje van de staart. Sommige dieren hebben een staalgrijze keel en buik, met een witte ster op de borst De vos heeft een slanke snuit en puntige rechtopstaande oren. De staart is lang, dik en ruig. Hij heeft een schouderhoogte van 35 tot 40 cm en staat hoog op de poten. Hij heeft een kop-romplengte van 58 tot 90 cm met een staart van 32 tot 48 cm. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes.

De Steenmarter of "fluwijn" heeft een bruine vacht met een witte tot lichtgrijze keelvlek. Door de vlek loopt een donkere streep die de vlek in twee helften splitst. Hij verschilt van de boommarter door de smallere oren, bredere korte snuit en de keelvlek die bij de boommarter geel is. De kop-romplengte is 40 tot 48 cm, de staart wordt gemiddeld 26 cm.

Vos Steenmarter Dwergmuis

2) Vogels

Enkele vogelsoorten die in de Haachtse Leibeekvallei broeden kunnen als waardevolle broedvogel worden beschouwd. Soorten die hieronder vallen zijn o.a.: Havik, Wespendief, Zwarte Specht, Kleine Bonte Specht, Matkop, Nachtegaal, Wielewaal, IJsvogel, Zomertortel en Koekoek.

Je zou bij de Havik ook even aan een Sperwer kunnen denken, maar de Havik is veel krachtiger. De Havik kan uitbundig lachen, waarbij hij even op gang dient te komen, en dan lang "kie-kie-kie-ki-ki-ki-ki" zal aanhouden. Volwassen vogels hebben een "zebra"-borst. Het wijfje is zo groot als een Buizerd. Het mannetje is een pak kleiner.

De Wespendief is even groot als een Buizerd. En net als de Buizerd heeft de Wespendief een heel variabel verenkleed. Van kastanjebruin tot roomkleurig. Een duidelijk verschil is de langere en breed gestreepte staart. Ook is de korte, weinig op een stootvogel uitziende, snavel opvallend. Verder verschilt deze stootvogel in verscheidene opzichten sterk van de andere.

De lach van de Zwarte Specht lijkt erg op dat van de Groene Specht. Maar de Zwarte Specht moet een beetje "op gang komen". Terwijl de Groene Specht meteen op volle sterkte begint te lachen. De roffel van de Zwarte Specht is zwaarder en langzamer dan dat van de Grote Bonte Specht. Behalve dit 'truu-truu-truu' kent de Zwarte specht nog een ander geluid dat over komt als 'kliaauw-kliaauw'. De Zwarte Specht is even groot als een Zwarte Kraai!
Daarom is de ingang van het hol in een boom ook veel groter dan dat van een Grote Bonte Specht. Dat is ook te determineren doordat de ingang van het hol van de Zwarte Specht ovaal is! Mannetjes hebben een felrode kruin terwijl de vrouwtjes slechts een rode nekvlek hebben.

Havik Wespendief Zwarte Specht

Net als veel andere spechten kent de Kleine Bonte Specht een schaterlach. Maar wel veel hoger dan de anderen. Een soort van 'klie-klie-klie-klie'. De roffel van dit kleine vogeltje duurt een stuk langer dan dat van de Grote Bonte Specht. Het duurt namelijk zo'n drie seconden. Dat van de Grote Bonte Specht duurt maar ong. 1 seconde. De roffel is overigens ook sneller.

Dat er twee verschillende soorten "zwartkopmezen" worden onderscheiden, is pas aan het eind van de 19de eeuw officieel vastgelegd. Wij kennen nu de Glanskop en de Matkop. De naam zwartkopmees wordt nog wel eens gebruikt als niet vast te stellen is om welke soort het gaat. Want het onderscheid tussen deze twee kleine mezen is vaak niet gemakkelijk te constateren. Alleen wanneer wij de roep van de Matkop horen, het nasale 'pèh-pèh-pèh' dan hebben we zeker met een Matkop te maken.

Een van de bekendste zangvogels is ongetwijfeld de Nachtegaal. Omdat hij in het dichte struikgewas leeft en bovendien een onopvallend grijs en bruin verenkleed draagt, zullen echter maar weinig mensen oog in oog met hem gestaan hebben. Zij die wél het geluk hadden om een nachtegaal in het vizier te krijgen waren mogelijk gedesillusioneerd door het bescheiden voorkomen van de vogel. De zang is dan ook het beste kenmerk.

Kleine Bonte Specht IJsvogel Koekoek

Door het luide gejodel verraadt de Wielewaal vaak zijn aanwezigheid en dat is maar goed ook want in de boomtoppen zijn ze dikwijls maar moeilijk te ontdekken, vooral als de zon schijnt en er overal donkere en lichte plekken in de bladerkroon zitten.

Veel uitleg in verband met herkenning hoeft de IJsvogel niet. IJsvogels zijn in de broedtijd kenmerkende vogels van beken en rivieren met zoet, stromend water. In mindere mate wordt ook bij stilstaande, visrijke wateren gebroed. De aanwezigheid van zandige of lemige oeverranden is een vereiste, omdat daarin de nesttunnel wordt uitgegraven.

De Zomertortel staat nog in veel litteratuur beschreven onder de officiële naam Tortelduif. De nieuw voorgestelde en reeds veelvuldig gebruikte naam past echter beter bij deze kleine, slanke duivesoort, want deze komt bij ons alleen voor als zomergast.

Matkop Nachtegaal
Wielewaal Zomertortel

De Koekoek is dé vogel bij uitstek die zijn eigen naam roept! En da's meteen ook het beste kenmerk. Hij valt te zoeken in de bossen, maar ook moerassen met dichte begroeiing. Hij ziet er een beetje uit als een slanke Sperwer.

3) Amfibieën

De Poelkikker of Kleine Groene Kikker is de kleinste soort van het Groene Kikker complex en bereikt een Kop-Romp-Lengte van maximaal 7 cm maar meestal schommelt deze tussen de 4,5 en 5,5 cm. Zijn hielgewrichtsknobbel (metatarsusknobbel of Callus internus) is opvallend groot en halfmaanvormig. De bovenkant van het lichaam is meestal grasgroen alhoewel nagenoeg in alle populaties ook dieren voorkomen bij dewelke een gedeelte van de rug een bruine tint vertoont. Bij de overgrote meerderheid van de dieren (zowel bij mannetjes als vrouwtjes) komt een helgroene streep voor op het midden van de rug. De pigmentvlekken op de poten zijn donkerbruin tot zwart, groter dan die op de rug en dikwijls met elkaar versmolten. De buikzijde is meestal niet of zwak gepigmenteerd. Een zeer opvallend kleurkenmerk is de groengele tot oranje grondkleur tussen het zwart marmerpatroon op de achterkant van de dijen. De kwaakblazen van de mannetjes zijn in opgeblazen toestand wit.

De Kamsalamander dankt zijn naam aan de getande rugkam, die de mannetjes ontwikkelen in het voorjaar. Een belangrijk kenmerk is de oranje buik met daarop een onregelmatig patroon van zwarte vlekken (soms is de buik zelfs bijna helemaal zwart). In de landfase verdwijnt de kam op de rug en zijn ze zeer donker (tot bijna zwart) van kleur met lichte witte spikkels. Een ander belangrijk kenmerk is de donkere keel die van de buik wordt gescheiden door een duidelijke huidplooi. De kamsalamander is de grootste van de vier soorten watersalamanders met een lengte tot maximaal 20 cm. De larven worden gekenmerkt door zwarte vlekken op de staartzoom en een dun uiteinde van de staart. Eieren van de kamsalamander zijn licht gekleurd en duidelijk groter dan van andere watersalamanders.

Poelkikker Kamsalamander

4) Insecten

De Sleedoornpage. De bovenste vleugel van het mannetje is 17-18 mm lang, die van het vrouwtje is groter. De bovenkant van de vleugel is donkerbruin met oranje vlekken bij de achterkant. De vrouwtjes hebben tevens grote niervormige vlekken op de voorvleugel. Op de oranjebruine onderkant van de vleugel zitten omrande, sabelvormige, donkeroranje vlekken, die van de bovenrand in de richting van de onderrand wijzen. De Sleedoornpage is vooral te vinden in bosranden met sleedoorns of op sleedoornhagen in de buurt van bossen, maar ook in stadsparken. De vlinder vliegt in één generatie per jaar van eind juli tot midden september (met een piek tussen 10 augustus en 10 september). De vlinders vliegen niet als de temperatuur lager is dan 20°C en worden meestal gezien in de namiddag op warmere dagen. Als ontmoetingsplaats worden vaak uit de haag stekende of hoge alleenstaande bomen gebruikt in de buurt van een bosrand.

Heggerank Lieveheersbeestje: Bol lichaam met 12 vlekken die ver uit elkaar staan.Voedsel: Planten uit de komkommer familie zoals Heggerank. Het volwassen dier eet het blad af waardoor alleen de nerven overblijven. Ook de larven eten van het blad.

Het Vierentwintigstippelig Lieveheersbeestje is een 3-4 mm kleine, behaarde (dat is het best met een loupe te zien) kever. Deze soort leeft van planten, onder andere klaver en luzernesoorten maar ook bonen, aardappel, biet en dahlia. Hierbij wordt niet het hele blad opgegeten, maar blijft een skelet van nerven, verbonden door de onderste bladlaag over. Hoewel deze soort erg variabel qua vlekkenpatroon is, is ze toch redelijk makkelijk te herkennen.

Sleedoornpage Heggerank Lieveheersbeestje 24-stippelig Lieveheersbeestje

5) Vissen

De Bittervoorn is een karperachtige vis die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water. Volwassen bittervoorns zijn 5 á 6 cm groot. De maximum lengte is 9 cm. De bittervoorn is een zijdelings afgeplat visje maar vergeleken met voorns en brasems iets steviger. Ze hebben relatief grove schubben en een heel klein onderstandig bekje. De zijlijn is niet compleet en strekt zich slechts uit over vijf of zes schubben. Ze zijn gemakkelijk herkenbaar aan de lange rugvin, de wat lila weerschijn op de schubben en de groenblauwe streep die vanaf de staartbasis naar het midden van het lichaam loopt. Mannetjes zijn te onderscheiden aan de felrode vlek in het oog. Mannetjes in de paaitijd krijgen leguitslag in de vorm van fijne witte stipjes rond de bek. Ook worden de kleuren zeer intensief, de anaalvin wordt oranje, evenals een gedeelte voor in de rugvin en het lichaam krijgt een prachtige lila glans. De vrouwtjes blijven zilverachtig en krijgen een legbuis, die vlak voor het leggen van de eieren kan verstijven.

Bittervoorn

6) Planten

Dauwnetel: Deze plant kan je in Vlaanderen slechts op enkele plaatsen aantreffen. Op de ruigtes in het Haachts Broek en het Schoonbroek komt ze nog in relatief grote aantallen voor. Ze is dan ook het paradepaardje van de Haachtse reservaten.De dauwnetel maakt deel uit van het geslacht van de hennepnetels en lijkt sterk op de alom verspreide gewone hennepnetel. Van juni tot september kan je de dauwnetel gemakkelijk herkennen aan zijn paars-geel gekleurde onderlip.De dauwnetel komt voor in de koude en gematigde streken van Europa en Azië. In Wallonië komt ze niet meer voor. Zal de opwarming van het klimaat de soort bij ons doen verdwijnen?

De Betonie komt voor vooral op graslanden maar soms ook in bossen. Ze komt voor in de gematigde streken van Europa. De noordelijke grens situeert zich bij ons. In Vlaanderen is ze zeer zeldzaam, ten zuiden van de lijn Samber-Maas daarentegen komt ze algemeen voor. Enkele jaren geleden werd ze nog waargenomen in het Haachts Broek. Deze lipbloemige onderscheidt zich door zijn 2 à 3 paar regelmatig gekartelde bladeren waarvan de onderste bladeren lang gesteeld zijn met hartvormige voet. De paarse bloemen staan in schijnkransen die tot een dichte eindelingse aar zijn verenigd, onderaan soms onderbroken. Bloeitijd van juni tot oktober.

De Hengel komt voor aan de rand van een bos, vooral op een zandige bodem. Op een dergelijke plaats tref je ze dan ook aan in het Schorisgat. De plant wordt elders vooral bedreigd door vermesting van de bosranden. In Vlaanderen komt er maar één hengelsoort voor en de plant is daardoor gemakkelijk te herkennen. Ze bloeit van juni tot augustus.

Dauwnetel Betonie Hengel

De Kikkerbeet komt in Haacht voor in het water van de Antitankgracht. Je kan ze gemakkelijk herkennen aan de niervormige bladeren. De plant bloeit in juli-augustus; ze beschikt dan over 3 witte kroonbladen met gele nagel.

Glanzig fonteinkruid. Deze waterplant kan je herkennen aan het feit dat al zijn langwerpige, lancetvormige, doorschijnende en van gegolfde randen voorziene bladeren ondergedoken zijn in het water. De plant vereist zuiver water en kwam 2 jaar geleden nog in redelijke aantallen voor in de Antitankgracht. Vorig jaar was het water van de Antitankgracht bedekt met kroos wat duidt op een overschot aan meststoffen. We zijn benieuwd of we de plant dit jaar terug zien.

Kikkerbeet Glanzig Fonteinkruid

Heb je nog vragen of wil je meer informatie betreffende een van deze soorten of het project, neem zeker contact op!

De Cel Natuurstudie

 
Wie zijn wij?
Natuurgebieden
Activiteitenkalender
Werkgroepen
't Broekventje blogt
Cursus
PS project
Natuurstudie
Rapporten  
Foto's

Natuurpunt Haacht neemt deel aan het Countdown 2010 project ! Klik voor meer info...

Contact
Lid worden
Nieuwsbrief
Wandelen
Downloads

Links
Walk for Nature
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
   
  Deze foto van de ATG werd ons bezorgd door Neeltje Buellens.
 
 
 
 
 
 
 
   
 
 
 
 
 
 
 
   
 
 
 
 
 
 
medewerkerpagina's
 

Recente updates

29/08/2010: nieuws

1/5/2010: allerlei

23/11/2009: nieuws

















Idee en ontwerp
Johan De Meirsman